Conseil d'Etat de Belgique 5 juin 2019
| Texto integral |
244695 anonyme
- 80,46K
|
|---|---|
| Título de comunicado de imprensa / resumo | - |
| Número de comunicado de imprensa / resumo | - |
| Texto integral de com. de imprensa | - |
| Número ECLI | - |
| Número ELI | - |
| Língua original da decisão | néerlandais |
| Data do documento | 05/06/2019 |
| Órgão jurisdicional autor | Conseil d'État (BE) |
| Matéria | - |
| Matéria EUROVOC |
|
| Disposição de direito nacional |
Egalité et non-discrimination; taille requise pour être recruté dans la police |
| Disposição de direito da União citada | - |
| Disposição de direito internacional | - |
| Descritivo |
Egalité et non-discrimination – Taille requise pour être recruté comme policier Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 18 oktober 2017, C-409/16) blijkt dat de wens om de inzetbaarheid en de goede werking van de politiediensten te verzekeren, een legitieme doelstelling is die het bezit van bijzondere lichamelijke eigenschappen kan verantwoorden. De lichamelijke vereiste van een minimale lichaamslengte mag evenwel niet tot gevolg hebben dat hierdoor een veel groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld of wanneer blijkt dat het gehanteerde criterium niet geschikt noch noodzakelijk is om het ermee nagestreefde doel te bereiken. Uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat verzoekster zich kandidaat heeft gesteld om te worden toegelaten tot de basisopleiding van het basiskader (aspirant-inspecteur van politie). Het betreft een politiefunctie binnen het operationeel kader waarbij het personeelslid moet kunnen worden ingezet volgens de operationele noodwendigheden van de dienst en alle taken moet kunnen vervullen die het wellicht zal moeten vervullen daarin begrepen het (legitiem) gebruik van geweld waarbij veiligheid en gezondheid van henzelf, collega’s en derden essentieel zijn. De te dezen vastgelegde minimale lichaamslengte van 152 cm is een vast en dus objectief criterium. Uit de door de verwerende partij bijgebrachte gegevens blijkt dat de gemiddelde lichaamslengte van vrouwen in België 168 cm bedraagt wat ruim boven de te dezen vereiste minimumlengte ligt voor de werving bij het leger en de geïntegreerde politie. Het gehanteerde uitsluitingscriterium leidt er niet toe dat hierdoor een groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld (cfr. supra). Verzoekster toont voorts niet aan dat die minimumgrens onredelijk of disproportioneel zou zijn. Waar verzoekster kan worden bijgetreden dat zij in het kader van de fysiek-medische geschiktheidsproef weliswaar is geslaagd voor het functioneel parcours waaruit blijkt dat zij de basiscondities en -fitheid heeft die nodig is om de basisopleiding te kunnen aanvatten, slaagt zij er daarmee nog niet in aan te tonen dat de te dezen vereiste minimale lichaamslengte van 152 cm niet geschikt of noodzakelijk zou zijn om het nagestreefde doel te bereiken: garanderen dat de functies en taken die in het operationeel kader moeten kunnen worden vervuld, ook kunnen worden vervuld. Het is niet onredelijk zoals de verwerende partij aangeeft deze -lage- minimumdrempel - noodzakelijk te achten met het oog op de dracht en, het besturen van allerlei politioneel (veiligheids)materieel, de belasting ervan op het lichaam, de vereiste minimumgestalte met het oog op het houden van overzicht bij het uitvoeren van interventies, enzovoort. Het volstaat niet louter te stellen zoals verzoekster doet dat er, wat het dragen van beschermingskledij en wapens betreft, “geen wezenlijk verschil tussen 152 en 151 cm lichaamslengte” is. Een schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van non-discriminatie ligt in die omstandigheden niet voor. Het gegeven dat zij reeds voor die proef is geslaagd, doet er voorts niet aan af dat de vereiste minimumgrens is bepaald op 152 cm en dat artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002 vereist, eensdeels, dat “de kandidaat voldoet aan de vereiste fysieke vaardigheden” en, anderdeels, dat wil zeggen cumulatief, “vrij is van alle gebreken die onverenigbaar zijn met de eisen van het ambt op de datum waarop hij of zij aan de selectieproeven deelneemt”. Weliswaar bepaalt artikel IV.1.16 RPPol dat de proeven “in principe” derwijze plaatsvinden dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald, doch dit doet er finaal niet aan af dat het in artikel 12, eerste lid, 6°, genoemde vereiste vervuld moet zijn “bij de toelating tot de basisopleiding” (cfr. artikel 14 van de wet van 26 april 2002). Uit artikel IV.30, van het UBPol vloeit tot slot voort dat slechts de minimumdrempel voor de proef (dit is de fysiek-medische geschiktheidsproef) wordt bereikt door de kandidaat (i) waarover de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie de in artikel IV.8ter, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beoordeling (dit is “geschikt” op basis van het functioneel parcours om de basisopleiding aan te vatten) uitbrengt én, cumulatief, (ii) waarvoor de onderzoekende arts de in artikel IV.9, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beslissing “geschikt” neemt. |
